Ome Tinus
Een leven gedragen door Gods roeping
Wie het werk van Stichting Zending Nieuw Leven kent, kent ook Mathinus Wolters. Voor velen is hij gewoon Tinus. Voor zijn familie, voor vrijwilligers en voor de mensen in Roemenië is hij vaak: Ome Tinus.
Die naam klinkt warm en vertrouwd. Maar achter die naam staat meer dan een voorzitter, meer dan een organisator, meer dan iemand die jarenlang hulptransporten heeft geregeld. Achter die naam staat een man die zich door God geroepen weet. Een man die zijn geloof niet alleen uitspreekt, maar leeft. Een man die telkens opnieuw heeft ervaren dat God spreekt, leidt, bewaart en voorziet.
Tinus groeit op in een woonwagengezin. Het leven is eenvoudig en niet altijd gemakkelijk. Al jong leert hij wat werken is, wat delen is en wat het betekent om door te gaan wanneer de omstandigheden zwaar zijn. Die weg vormt hem. Zij maakt hem niet bitter, maar bewogen.
Juist omdat hij eenvoud kent, herkent hij armoede. Juist omdat hij weet hoe het is om aan de rand te staan, ziet hij mensen die door anderen gemakkelijk worden vergeten. En juist omdat God hem in zijn eigen leven heeft opgezocht, wil hij die liefde ook doorgeven aan anderen.
Aan zijn zijde staat zijn vrouw Annie. Samen bouwen zij hun gezin op. Terwijl Tinus werkt, reist, regelt, rijdt en later steeds meer betrokken raakt bij de zending, is Annie de vaste kracht naast hem. Zij draagt mee wat niet altijd zichtbaar is: het gezin, de zorgen, het wachten, het loslaten, het vertrouwen en het gebed.
Een roeping van God raakt nooit één mens alleen. Zij raakt ook het gezin, het huis, de mensen die dichtbij staan. In dat stille, trouwe meedragen heeft Annie haar eigen onmisbare plaats.
De nacht waarin God dichtbij kwam
Het leven van Tinus verandert wanneer zijn familie, die al eerder tot geloof is gekomen, hem aanspoort om mee te gaan naar een tentcampagne van de Woonwagenzending in Amsterdam. Tinus is daar in eerste instantie niet erg happig op. Hij leeft niet losbandig, drinkt niet, zorgt goed voor anderen en vindt niet dat hij een zondig leven leidt. Waarom zou hij het geloof dan nodig hebben? Toch gaat hij mee.
Daar ziet hij wat Jezus doet in mensenlevens. Hij ziet hoe mensen geraakt worden, veranderd worden, nieuw worden. En ergens diep vanbinnen komt het verlangen op: dit wil ik ook.
Wanneer hij later thuis is in Zwolle, op de Hanerick aan de Hasselterdijk, gaat hij in de late avond naar buiten. Achter zijn woonwagen ligt het zwarte water. Daar, in de stilte van de nacht, stelt hij een eenvoudige maar beslissende vraag aan God:
“God, als dit ook voor mij is, laat het mij zien en ik zal U volgen.”
Die nacht krijgt Tinus een droom. In die droom is hij terug in het Zwolle van vroeger. Hij loopt door het Klein Grachtje, een armoedige buurt net buiten de binnenstad. Overal is vuil, troep en zichtbare ellende. Tussen die armoede hoort hij het huilen van een kind. Een baby. Nog maar een paar dagen oud, liggend in een doos.
Tinus ziet het kind. En uit dat kind gaat een liefde naar hem uit die hij niet kan verklaren. Tegelijk voelt hij zelf een liefde voor dat kind die diep door hem heen gaat. Hij wil het een naam geven, maar geen enkele naam past. Hij besluit het mee te nemen naar de wagen.
Als Annie het kind ziet, noemen zij samen alle namen die zij kunnen bedenken. Namen uit de familie, zoals dat vanouds gedaan wordt. Maar geen enkele naam past bij dit kind.
Alleen de naam van Jezus.
Daar, in die droom, vindt Tinus zijn antwoord. Het is alsof God Zelf hem laat zien dat het geloof niet gaat om goed genoeg zijn in eigen ogen, maar om Jezus aannemen, Hem volgen en je leven door Hem laten leiden.
Vanaf dat moment is het Evangelie niet langer iets buiten hem. Het wordt de hartslag van zijn bestaan.
Tinus zegt het later zelf eenvoudig en krachtig: “Het evangelie is mijn drijfveer, mijn passie.”
In die ene zin ligt zijn leven besloten.
Wanneer God een weg opent
Na zijn bekering sluit Tinus zich, samen met zijn broer Koop, aan bij de Woonwagenzending. Daar ontstaat een diepe verbondenheid met Jan en Ben Schmidt. Niet alleen als mensen die samen iets willen organiseren, maar als broeders in Christus. Mannen met hetzelfde verlangen: het Evangelie brengen waar nood is en mensen helpen die door armoede, verdriet en uitzichtloosheid worden getroffen.
In Osdorp, Amsterdam, zitten Jan en Ben Schmidt aan tafel met de Zwolse broers Mathinus en Koop Wolters. Er wordt gesproken over werk in het buitenland. Een duidelijke bestemming is er nog niet. Maar het verlangen is er wel. Het verlangen om te gaan waar God de deur opent.
En dan gebeurt er iets wat Tinus niet meer loslaat.
Enkele weken later wordt hij in Zwolle aangesproken door een vrouw die hij niet kent. Zij vraagt hem of hij hulp wil bieden aan de Roma-bevolking in Roemenië. Ze laat hem een foto achter van een gezin dat leeft in diepe armoede, in een krot, op een plek die lijkt op een vuilstort. Daarna verdwijnt zij weer. Geen naam. Geen adres. Alleen die vraag. En die foto.
Voor Tinus is het duidelijk: dit is geen toeval. De nood is zichtbaar. De vraag is helder. De roeping wordt persoonlijk. Hij zoekt bevestiging bij God. En wanneer hij zijn Bijbel opent, leest hij de woorden van Jezus uit Mattheüs 25:
“Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven.
Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven.
Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest,
naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht.”
Die woorden laten voor Tinus geen ruimte voor twijfel. Vanaf dat moment is Roemenië niet zomaar een plan. Het is een opdracht vanuit het geloof.
Twaalf mannen op een onbekende weg
De eerste reis naar Roemenië is geen goed georganiseerde missie met adressen, contacten en duidelijke routes. Tinus vertrekt met vijf metgezellen uit Zwolle en Amsterdam. Ze hebben geen adres. Alleen een foto. Ze spreken de taal niet. Ze hebben weinig meer dan geloof, bewogenheid en de overtuiging dat God hen stuurt.
Na twee dagen reizen komen ze in Roemenië aan. Ze slaan een landweg in en merken al snel dat ze verdwaald zijn. Ze weten niet waar ze heen moeten. Ze draaien de auto’s om.
Dan zien ze in de verte andere busjes naderen.
Wanneer de busjes dichterbij komen, zien ze tot hun verbazing gele Nederlandse kentekenplaten. En als beide groepen elkaar willen passeren, kijken ze elkaar aan en herkennen ze bekende gezichten. Het zijn mannen uit Gerwen, broeders uit het geloof en uit de woonwagengemeenschap. Ook zij zijn met z’n zessen. Ook zij zijn verdwaald. Ook zij zoeken een Roma-dorp om hulp te brengen.
Twaalf mannen. Twee groepen. Allebei zonder duidelijke weg. Allebei met hetzelfde doel. Ze trekken samen verder en komen uiteindelijk bij een dorp in de provincie Brașov. Daar haalt Tinus de foto uit zijn jaszak. En dan ziet hij het: de mensen op de foto lopen daar voor hem.
Wat eerst onmogelijk leek, wordt een bevestiging. Alsof God Zelf de weg heeft geleid. Alsof deze twaalf mannen, als discipelen uitgezonden, daar gebracht zijn om Zijn werk te doen onder mensen die Hij niet vergeten is.
Vanaf dat moment weet Tinus nog dieper: dit werk wordt niet gedragen door menselijke zekerheid, maar door Gods leiding.
De nachten waarin de nood bleef huilen
De eerste ontmoetingen in Roemenië raken Tinus diep. Wat hij daar ziet, is niet iets wat je gemakkelijk achter je laat. Gezinnen in bittere armoede. Kinderen zonder veiligheid. Mensen die leven in omstandigheden die haast niet te bevatten zijn.
Hij ziet de nood niet als een probleem op afstand. Het komt zijn hart binnen.
Er zijn nachten waarin hij huilt om wat hij gezien heeft. Nachten waarin de beelden terugkomen. De gezichten. De kinderen. De kou. De armoede. De vraag hoe het mogelijk is dat mensen zo moeten leven.
Maar uit die pijn groeit geen machteloosheid. Uit die pijn groeit gehoorzaamheid.
Tinus kan niet alles oplossen. Dat weet hij. Maar hij kan wel doen wat God op zijn weg legt. Hij kan gaan. Hij kan hulp verzamelen. Hij kan mensen meenemen. Hij kan bidden. Hij kan bouwen. Hij kan het Woord brengen. Hij kan laten zien dat deze mensen niet vergeten zijn.
Niet door hem.
Niet door de stichting.
En bovenal niet door God.
God bewaart in het donker
Door de jaren heen verplaatst het werk zich ook naar de provincie Mureș. Wanneer een konvooi met goederen aankomt in Târgu Mureș, blijkt de afgesproken opslag vol te zijn. Samen met de lokale contactpersoon Petrisor wordt gezocht naar een alternatief.
Laat in de avond wordt er een opslag gevonden. Maar die ligt in een van de moeilijkste buurten van de stad. In die jaren is het daar onrustig en gevaarlijk. Geweld, diefstal en dreiging zijn geen uitzonderingen. Toch is er geen andere mogelijkheid. De oplegger is vol en moet geleegd worden.
Petrisor waarschuwt de groep. Ze moeten voorzichtig zijn. Zo min mogelijk aandacht trekken. Maar wanneer ze bij de opslag aankomen, blijkt die aan een open plein te liggen, vol in het licht van de straatlantaarns. Aandacht vermijden is onmogelijk.
Voor Tinus uitstapt, gaat hij in gebed. Hij vraagt de Heere om hulp, om veiligheid en om zegen. Hij vraagt of het uitladen goed mag verlopen, zodat de goederen veilig bewaard kunnen worden en later uitgedeeld kunnen worden aan de mensen voor wie ze bestemd zijn.
Dan stapt de groep uit. De chauffeur loopt naar de oplegger. Op het moment dat hij de hendels van de deur overhaalt, doven ineens alle lantaarns rondom het plein. Het hele plein valt in duisternis.
En uit de straten en stegen komen kinderen tevoorschijn. Veel kinderen. Zij zijn daar met Petrisor om te helpen. In het donker, zonder de aandacht die eerst onvermijdelijk leek, laden zij samen de goederen uit. Wat een lange en riskante klus had kunnen worden, gebeurt snel en veilig.
Binnen korte tijd is de oplegger leeg. De opslag gaat op slot. De kinderen verdwijnen weer even snel als zij gekomen zijn. En wanneer de chauffeur de oplegger afsluit, springen de lantaarns rondom het plein weer aan.
Voor Tinus is dit geen toeval. Hij heeft gebeden om hulp en veiligheid, en God heeft geantwoord. In het donker heeft de Heere bewaard wat bestemd was voor mensen in nood.
Wanneer God voorziet
Het werk groeit verder. In Band wordt een boerderij aangekocht. Daar ontstaat ook het verlangen naar een gaarkeuken. Want de nood is groot. Er zijn veel gezinnen, kinderen en ouderen die behoefte hebben aan goede maaltijden. Maar verlangen alleen vult geen pannen. De kas is niet goed gevuld en de voedselvoorraad is beperkt.
Op een dag zitten Koop en Tinus aan de eettafel in Berkum. Ze bespreken het probleem. Koop zegt dat, als er maar een paar ton voedsel zou zijn, veel zorgen voorlopig opgelost zouden zijn. Maar waar haal je dat vandaan? Ze kijken elkaar aan. Er is geen direct antwoord. Dus leggen zij het in Gods handen.
Koop vertrekt naar zijn eigen wagen achter op het kamp. Hij is nog maar net weg of de telefoon gaat. Een oude bekende vraagt Tinus of hij interesse heeft in vijf ton groentepotten. Ze zijn bij een conservenfabriek verkeerd afgevuld en mogen aan het eind van de week worden opgehaald op pallets.
Tinus legt de telefoon neer en snelt naar buiten, achter Koop aan, om hem het nieuws te vertellen. Beiden zijn met stomheid geslagen. Nog maar net hebben zij hun nood bij God neergelegd, of er komt voedsel. Niet een beetje, maar genoeg om de keuken lange tijd draaiende te houden.
Voor Tinus en Koop is het opnieuw een bevestiging: dit werk is niet van mensen alleen. Waar God roept, voorziet Hij ook.
Wanneer God het leven teruggeeft
Ook in het leven van Tinus zelf wordt zichtbaar dat zijn weg niet in eigen hand ligt.
Na een reis naar Roemenië, samen met Annie, zoon Rinus en zijn gezin, en Koop met zijn vrouw Annie, staat in Nederland een doktersbezoek gepland. Zelfs wat vakantie had moeten zijn, is in Roemenië opnieuw verbonden geraakt met het werk. Op de boerderij in Band wordt gewerkt aan de toekomst. Daar is grond aangekocht waarop later huizen gebouwd zullen worden.
Kort daarna moet Tinus een zware hartoperatie ondergaan: zes omleidingen. Wat een routineoperatie lijkt, verandert in een strijd van weken. Zijn toestand wordt ernstig. Meerdere keren lijkt hij op sterven te liggen. Artsen doen wat zij kunnen, maar zijn lichaam reageert niet zoals gehoopt. Zijn darmen komen niet op gang. Tinus is dagenlang niet aanspreekbaar.
In het ziekenhuis komt de familie samen. Er zijn zoveel mensen die meeleven en langskomen dat de koffieautomaten het nauwelijks aankunnen. In een zwaar gesprek vertelt de arts aan zijn vijf zoons, zijn dochter, Koop en diens zoon Lo dat zij niets meer kunnen doen. Het is, zo lijkt het, slechts een kwestie van tijd. Maar in die kamer klinkt geloof tegenover de grens van menselijke mogelijkheden.
Lo spreekt het uit: “Dokter, waar uw werk stopt, neemt de Heer het over!”
Uren worden dagen. Maar Tinus’ lichaam geeft niet op. En dan, na dagen van onzekerheid, beginnen zijn darmen weer te werken. Zijn hartslag wordt beter. Hij ontwaakt.
Wanneer hij later weer kan spreken, vertelt hij wat hij heeft gezien. Hij was op een weg, zo glad als ijs. Om hem heen een omgeving zo mooi als het paradijs, vol bloemen en kleuren. Aan het einde van de weg stond een grote poort. Terwijl hij liep, hoorde hij een stem. Hij kreeg de keuze: doorlopen naar de poort, of teruggaan. Tinus zei dat het daar heel mooi was, maar dat hij toch graag terug wilde naar zijn familie en om zijn werk af te maken. Op dat moment gleed hij uit op de gladde weg en kwam plat op zijn rug terecht. Toen gingen zijn ogen in het ziekenhuisbed weer open.
Voor de familie, voor Koop, voor allen die baden en meeleefden, is dit meer dan herstel. Het is alsof God Tinus teruggeeft, sterker dan ooit. Niet omdat zijn werk van hemzelf is, maar omdat de Heere nog werk voor hem heeft.
Niet mijn werk, maar Gods werk
De jaren daarna blijven gevuld met inzet, zorg en arbeid. In Roemenië en in Nederland. Het werk gaat door. Maar ook thuis verandert er veel. Wanneer de gezondheid van Annie minder wordt, groeit bij de kinderen de zorg om hun vader. Twee van zijn zoons zitten op een dag bij hem aan de keukentafel. Zij spreken uit wat zij al langer voelen: misschien wordt het tijd dat Tinus het rustiger aan gaat doen. Misschien is het tijd om te stoppen.
Tinus luistert. Hij kijkt hen aan en zegt dat zij misschien gelijk hebben. Maar dan zegt hij iets dat alles samenvat:
“Dit werk is niet van mij, maar van God. Mocht het zo zijn dat het tijd is dat ik stop, dan zal Hij mij dat laten weten.”
Later die dag stapt Tinus met zijn zoons in de auto. Ze gaan een lading metalen laden in de binnenstad van Zwolle. Het gesprek van die ochtend lijkt alweer weggezakt wanneer ze een smalle straat inrijden. Aan het einde moeten ze zijn, maar voor hen staat een grote auto van de vuildienst vast. Ze kunnen er niet langs.
Het is warm. Ze stappen uit en wachten buiten de auto. Verderop staat een oudere man voorovergebogen over het stuur van zijn fiets. Hij staart lang naar de drie mannen. Na een paar minuten komt hij op hen af gefietst. Hij begint een gesprek met Tinus en zegt dat hij hem kent. Dat hij hem lang heeft gevolgd. Dat hij belangrijk en goed werk doet.
Dan stapt de man weer op zijn fiets en rijdt weg. Maar na een paar meter stopt hij. Hij draait zich om en roept:
“Je mag nog niet stoppen hoor. Doorgaan!”
Zijn zoons kijken vol verwondering toe terwijl de man de hoek om fietst. Tinus heeft zijn antwoord gekregen.
Na die dag durven zij hem niet meer te vragen om te stoppen. Sterker nog: zij gaan zich juist meer inzetten om hem te helpen.
Zwolle en Roemenië in hetzelfde hart
De roeping van Tinus is nooit beperkt gebleven tot Roemenië alleen. Ook Zwolle ligt hem na aan het hart. Voor hem is zendingswerk niet alleen ver weg. Ook dichtbij leven mensen zonder hoop, zonder thuis, zonder richting of zonder iemand die naar hen omziet.
In Zwolle ziet hij mensen zonder huis. Gezinnen die vastlopen. Jongeren die zoeken. Woonwagenbewoners die steun nodig hebben. Mensen die door het leven beschadigd zijn.
Voor Tinus maakt afstand geen verschil. Een mens in nood in Roemenië en een mens in nood in Zwolle raken hetzelfde hart. Want voor God is geen mens ver weg. In Zwolle vindt hij in Joop van Ommen een vriend met eenzelfde bewogenheid voor mensen aan de rand van de samenleving. Hun band is niet gebouwd op mooie woorden, maar op trouw. Waar Joop nood ziet, weet hij Tinus te vinden. En waar Tinus kan helpen, helpt hij.
Bedden, matrassen, dekens, eten, kerstpakketten, praktische steun, een luisterend oor; het wordt geregeld. Joop zegt het kort, maar alleszeggend:
“Als er wat is, bel ik hem. Hij helpt altijd.”
Dat is Tinus ten voeten uit. Hij helpt. Omdat zijn geloof hem beweegt. Omdat Gods liefde hem dringt. Omdat hij in ieder mens een naaste ziet die niet vergeten mag worden.
Een werk van God, gedragen door mensen
Stichting Zending Nieuw Leven is niet het werk van één mens alleen. Het is een werk dat alleen kan bestaan omdat God draagt, leidt en voorziet.
Tinus is voorzitter en drijvende kracht. Maar om hem heen staan mensen die de Heere op hun plaats heeft gezet: Annie, Koop, Jan, Ben, familieleden, broeders en zusters, vrijwilligers, chauffeurs, bouwers, gevers en bidders.
Sommigen staan zichtbaar op de voorgrond. Anderen helpen in stilte. Sommigen reizen mee. Anderen geven, verzamelen, bidden, bouwen, koken, rijden of regelen. Ieder heeft een plaats. Ieder draagt iets bij.
En door dat alles heen wordt zichtbaar dat God Zijn werk niet loslaat.
Er zijn momenten waarop wegen gesloten lijken. Waarop middelen ontbreken. Waarop de nood groter is dan mensen kunnen dragen. Maar steeds opnieuw komt er een opening. Steeds opnieuw komen er mensen. Steeds opnieuw mag het werk doorgaan.
Niet omdat mensen zo sterk zijn, maar omdat God trouw is.
Erkenning zonder eerzucht
In april 1998 ontvangt Tinus een koninklijke onderscheiding. Hij wordt benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Die erkenning krijgt hij voor zijn inzet voor Roma in Roemenië, maar ook voor zijn werk in Zwolle: voor woonwagenbewoners, jongeren, daklozen en mensen in nood.
Het is een bijzondere onderscheiding. Een moment waarop zichtbaar wordt wat velen al lang weten: dat Tinus zich met hart en ziel inzet voor mensen die hulp nodig hebben.
Maar wie Tinus kent, weet dat eer nooit zijn drijfveer is geweest.
Hij helpt niet om genoemd te worden.
Hij dient niet om beloond te worden.
Hij gaat niet om bewonderd te worden.
Zijn drijfveer is het Evangelie. Zijn verlangen is dat mensen geholpen worden en dat Gods Naam geëerd wordt.
Een levende belijdenis
Vandaag is Tinus nog steeds voorzitter en drijvende kracht achter Stichting Zending Nieuw Leven. Zijn lichaam is ouder geworden, maar zijn hart voor het werk is niet verdwenen. De mensen in Roemenië zijn hem nog altijd lief. De nood van kinderen, ouderen en gezinnen raakt hem nog steeds. En ook in Zwolle blijft zijn naam verbonden aan iemand die niet wegkijkt.
De gaarkeuken Ouwe Tinus in Ogra draagt zijn naam. Niet als eerbetoon aan iets wat voorbij is, maar als levend teken van wat zijn geloof altijd heeft betekend: hongerigen voeden, mensen zien, liefde geven en hoop brengen.
Daar, waar kinderen en ouderen een warme maaltijd ontvangen, spreekt zijn leven verder. Niet omdat Tinus groot gemaakt moet worden, maar omdat Gods trouw zichtbaar wordt in een leven dat zich door Hem liet gebruiken.
Het verhaal van Mathinus Wolters is daarom geen verhaal van alleen reizen, bouwen of organiseren. Het is het verhaal van een man die door God geroepen werd en ging. Van een vrouw die naast hem staat. Van broeders die samen dragen. Van vrienden die naast elkaar helpen. Van kinderen en familie die meedragen. Van vrijwilligers die blijven geven. Van Zwolle naar Roemenië. Van geloof naar daden. Van bewogenheid naar hoop.
Zijn leven ontroert, omdat het echt is.
Zijn werk inspireert, omdat het trouw is.
Zijn geloof spreekt, omdat het zichtbaar is.
En misschien is dat wel de mooiste belijdenis:
niet alleen zeggen dat je gelooft,
maar leven vanuit de liefde van Christus.
God liefhebben.
De naaste dienen.
Zijn roepstem volgen.
Niet wegkijken.
Maar gaan.